Na Zijn opstanding ontmoet Jezus Zijn discipelen in Galilea. Ze zijn gaan vissen, maar zonder resultaat. De Heere wil zich echter op een verrassende en bijzondere wijze aan hen openbaren. Hij ontdekt hen aan hun onmogelijkheid en verlorenheid en laat zien dat Hij hen niet nodig heeft. Toch schakelt Hij discipelen, apostelen en ambtsdragers in. Hij wil dat we tot de erkenning komen dat Hij onze Heere (Kurios) en Heiland is.

Gebed voor de opening van het Woord:

Heere in de hemel, Vader van alle barmhartigheid in de Heere Jezus, Uw Zoon, wij danken U dat we op deze prachtige zondagmorgen hier in de kerk mogen zijn. Heere, wat een voorrecht dat wij nog in vrijheid naar Uw Huis mogen komen, de Bijbel kunnen onderzoeken, de prediking horen. Heere, dan zijn er zovelen die dat voorrecht niet meer hebben, die vervolgd worden, die in het geheim moeten samenkomen, die gemarteld worden omdat ze U hebben liefgekregen. Heere, dan maakt U toch, als we zien wat wij van U hebben ontvangen, een onderscheid wat er eigenlijk niet is, want wij zijn niet beter dan al die mensen. Het is Uw goedheid, Uw trouw.

Zo bidden wij U of U met ons wilt zijn, of U ons geeft … nu wij Uw Woord gaan spreken, Uw Woord gaan horen. Dat ons hart ervoor open gaat. We moeten het U vanmorgen ook belijden: dat hart van ons is dicht, potdicht, als het gaat om Uw Woord en om Uw Christus. Maar gelukkig, U breekt harten open en waar het gebeurd is, is het steeds weer nodig. En zo vragen we U, Drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, verheerlijk U in deze dienst.

Dat wij allen komen tot de Heere Jezus en vooral ook de kinderen, Heere die wilt U toch ook gedenken? U hebt het toch zelf gezegd, Heere Jezus: ‘Laat de kinderen tot Mij komen en verhinder ze niet want derzulken is het Koninkrijk van God?’ Heere, zo maakt U Uw Koninkrijk vol. En gelukkig dat er kinderen zijn die U niet meer kunnen missen.

Uw werk gaat door, ook in Reeuwijk. U maakt Uw Koninkrijk vol, daar hoeven we nooit over in te zitten. Maar dan is de vraag, zullen wij daarbij zijn? Bij die grote schare, die niemand tellen kan. We kunnen het weten als we de Heere Jezus kennen door het geloof. Wilt U zo het geloof werken en versterken?

Barmhartige God en Vader, U hebt Uw Zoon gegeven, Uw énige Zoon. U hebt alles gegeven, dat is die liefde van U, die opzoekende zondaarsliefde. Maar die moet beantwoord worden, ook vanmorgen. Ja en dan wordt het beleefd: we hebben U lief, Heere, omdat U ons eerst hebt liefgehad. Dan kunnen we het wonder niet op.

Heere, zo vragen we, wilt U zo zijn ook met het zendingswerk, het evangelisatiewerk. En we vragen U ook voor Israël – wat is daar ook niet gaande? Maar U hebt het beloofd: ze zullen zich bekeren voordat Uw Zoon zal weerkomen. Heere en ja, dan denken we ook aan de kerk in Oekraïne. U weet hoe die nu daar samenkomen. Heere en dan bidden we U, wilt U die verschrikkelijke oorlog doen ophouden? Heere Jezus, U is toch gegeven alle macht in hemel en op aarde? Heere en U kunt ook Poetin op de knieën brengen – dat hij tot U de toevlucht neemt. Ja, dat is voor alle regeringsleiders nodig, maar we vragen het U ook in het bijzonder voor hem. Heere, dat hij de oorlog doet ophouden, bovenal dat U die doet ophouden. Heere, wilt U vrede gebieden, daar in de Oekraïne.

Heere, wilt U dan vooral die vrede geven die alle verstand te boven gaat en daarom hebt U ons hier ook samengebracht. Dat wilt U ook ons geven: vrede en genade. Dat hebben we niet verdiend. We hebben zojuist de wet gelezen: we staan schuldig aan al die geboden. We hebben nergens recht op, maar we bidden het U om Jezus’ wil. Daar is vergeving voor al onze zonden! Ja en daarom moest Hij sterven aan het kruis. Maar Hij is opgestaan en dan mag iedere zondag iets van Pasen hebben. Dat opstandingsleven. Heere, raak ons aan met Uw Geest. Maak het hier vol en rijk in dit kerkje. Ja, dat we straks zo de kerk uitgaan: de Heere wil ook mij voor eeuwig redden. Hij heeft het Zelf beloofd. Ik heb het uit Zijn mond gehoord. Heere, dan geeft dat moed en kracht.

U weet hoe we naar de kerk gekomen zijn: met een hart vol smart, een hart vol verdriet, het kan zijn een hart vol zorgen om de gezondheid, het kan ook zijn een hart vol dankbaarheid dat we zo Uw zegeningen mochten tellen. Maar hoe we dan ook hier gekomen zijn, Heere, doe ons állen komen tot de Heere Jezus Christus en maak dat Hij centraal mag staan in deze dienst. Ja, dan is het tot eer van Uw grote Naam en tot zaligheid van een ieder van ons. Heere, zo bidden we het U, voor ons hier in de kerk, ook voor degenen die niet konden komen, die meeluisteren, meekijken. Heere, alles wacht op U. Wilt U zo met ons zijn. Ja, dat vragen we U, in Jezus’ Naam, uit genade, Amen.

Gemeente, de discipelen zijn naar Galilea gegaan. Dat hoorden de discipelen van de vrouwen en van Jezus Zelf. Hij zei persoonlijk: ga heen, bericht Mijn broeders, dat ze naar Galilea moeten gaan. Maar Hij heeft ze niet laten wachten tot Galilea. Hij kwam de eerste Paasdag al. En later weer. Toen was Thomas er wel bij. En nu krijgen ze de opdracht naar Galilea te gaan. Jezus verlangde de discipelen te zien. Hij wilde hen een verrassing brengen. In Galilea riep Hij Zijn discipelen. En deed Hij wonderen. Daar is het begonnen. Het Galilea der heidenen. Daar riep Hij zondaren. Ze worden drie jaar daarin opgeleid om apostelen te zijn.

Daar zijn ze nu. Ze gingen er heen. 7 van de 11. Waar zijn de andere 4? Hoeven we niet te weten. Petrus, Thomas, Nathanael, Johannes en Jacobus. De 2 andere niet bij name genoemd. De Heere kent hun namen. In Zijn boek geschreven. De Heere weet wie Hem lief kregen. Stille in de lande.

Ze zijn daar bij meer van Galilea of meer van Tiberias. Ze wachten. Dat duurt lang. Petrus heeft een bruisend karakter. Beetje onstuimig. Hij wil gaan vissen. De anderen gaan meteen mee. Is dat wel goed? Jezus riep hen achter de vissen vandaan. Calvijn zegt dat we niet moeten denken dat het niet goed is. De Heere had juist de bedoeling zich bekend te maken terwijl ze aan het vissen waren omdat Hij wilde leren dat een andere vorm van vissen hun toekomst zou zijn.

Jezus staat aan de oever. In die nacht vingen zij niets. Die nacht was voor de Heere. Drie keer staat er: openbaren. Baren is dat een kind geboren wordt. Openbaren: er komt iets tevoorschijn. De Heere gaat Zich openbaren, bekendmaken. Hij staat aan de oever.

De discipelen denken dat het een vreemdeling is. Die stelt een vraag, hebben jullie iets voor bij het eten? Jezus heeft na Pasen de stap gezet op de weg van de verheerlijking. Hij was niet zomaar meer te zien. Het gaat om dat je een geloofsoog krijgt. Zoals de Emmaüsgangers. En Maria Magdalena. Hun ogen moesten geopend worden. Bij ons ook. Daarom zitten we hier. Het is de Heere! Dat ons oog en hart daarvoor open gaat.

Lieve kinderen, hebt u niet iets voor bij het eten? Eerst werden ze discipelen genoemd. Bij de Paasmaaltijd noemde Hij hen vrienden. Met Pasen: broeders. Zeg Mijn broeders. En nu: kinderen. De band wordt al enger. Gaan de ogen nu open? Nee. De vraag trof hen pijnlijk. Ze kunnen niets aanbieden. Wist de Heere dat niet? Natuurlijk wel. Het is Hem volkomen bekend. Ze waren echt niet verleerd te vissen. Het was de goede tijd. Net aan de goede kant uitgeworpen. Aan de verkeerde kant raakt door de stroom onder het schip en gaat het kapot. Maar ze vingen niets. Is dat niet streng dat Hij die vraag stelde? Dat deed Hij niet om te ontmoedigen. Maar om Zich te openbaren, voor de derde keer. We moeten er steeds weer onderwijs in krijgen. Hij komt als wij niets meer kunnen aanbieden. Moede kom ik, arm en naakt. Met handen vol schuld. Dat moeten we leren. Hier in de kerk. Dat we veel moeten afleren. Leren en afleren. Leren dat Christus voor armen is gekomen. Dat Hij zondaren zoekt. Hij ontdekt ons aan onze zonden. De Geest doet ons ontdekken dat er een Jezus is.

Voor de discipelen wel verdrietig dat ze niets vingen. Ze moeten nee zeggen. Een kort antwoord. Nee. Er klinkt teleurstelling in door. In Griekse vorm zie je dat een ja of nee wordt verwacht. Hier wordt nee verwacht. Met armen naar voren komen. Jezus vroeg, lieve kinderen, u hebt zeker niet iets voor bij het eten? Dat veronderstelt een nee. Dat wil de Heere leren dat wij met lege handen voor Hem staan. Dat we Hem niets kunnen aanbieden. Omdat we de Heere hebben verlaten. Als de Heere ons aan onze armoede en schuld ontdekt, doet Hij ons dat om ons rijk te blijven.

Wij vissen verkeerd. De een zoekt in de wereld. Een ander werpt netje uit in de eigen vroomheid. Wat heb je gevangen? Niets. Kijk dat wil de Heere ons leren. De discipelen moeten het net aan de andere zijde uitwerpen. Overboord. Naar de andere kant. De discipelen waren het echt niet verleerd. De nacht was al voorbij. Het evangelie is niet naar de mens. Wel voor de mens. Het gaat tegen ons in. De Heere wil nog wonderen doen. U zult vinden! Je krijgt die opdracht maar meteen een belofte erbij. In de Bijbel, waar er een opdracht staat, staat er meteen een belofte bij. Klopt en u zal opengedaan worden. Wie Mij aanroept in de nood, vindt Mijn gunst oneindig groot.

Het moet anders. Volgens hun vakmanschap verkeerd. Maar ze komen niet met vragen. Ze zeggen niet, beste man, dat kan niet, dat is verkeerd vissen. Nee. Ze gehoorzamen. Dat is de kracht van het Woord. Zo wil de Heere ons aanraken. Doen wat Hij ons zegt. Veel mensen halen hun schouders op over het evangelie. Joden een ergenis en Grieken een dwaasheid. Jezus sterft aan het kruis?! Hoe kan een Vader dat doen? Hoe kan het dat Hij is opgestaan? Ze willen er niet van weten dat dit de weg is die God heeft uitgedacht. We moeten van onszelf verlost worden. Bij Christus komen. U zult vinden, is de belofte.

Wat vinden ze nu? Een geweldige vangst. Onbegrijpelijk. Het ging niet om die vissen. Maar om Christus te vinden, als middel. In dat vissen wil Christus zich openbaren. Vers 9: conclusie, het gaat om die grote vangst? Nee. 153 grote vissen. Maar dan gebeurt het: de ogen gaan open voor Christus. Wat Johannes doet met zijn hart, doet Petrus met de daad. Johannes zag en geloofde. Johannes is de eerste die Hem hier ontdekt. Ik hoop dat wij Jezus ook ontdekken vanmorgen. Het is de Heere, roept hij uit. Hij houdt het niet voor zichzelf. We worden gunnend. Als je ontdekt, Hij is de Heere, mijn Heere, dan gun je dat ook een ander. Johannes zegt het meteen tegen Petrus. Zijn karakter komt hier naar voren, dat bruisende, dat onstuimige. Hij wil als eerste bij de Heere zijn. Doet zijn mantel aan, hij viste in zijn blootje (zo deden ze dat). Hij wil niet naakt voor de Heere verschijnen.

Dan komt hij daar bij Zijn Heiland. U moet eerst nog letten op dat woord ‘Heere’. In het Grieks: kurios. Verhevene, gebieder, eigenaar, Hij die het voor het zeggen heeft. Zondag 1, misschien moest je die leren. Dat ik niet meer van mezelf ben, maar eigendom van Hem. Hij kocht me met Zijn bloed. Paulus schrijft dat Christus als loon op Zijn gehoorzaamheid een Naam heeft gekregen boven alle namen. Openbaring 17: Hij is een Heer boven alle heren. Deze Jezus die u gekruisigd hebt, dat zegt Petrus later met Pinksteren. Hij prijst Hem als Heere aan.

Belijden dat je Zijn eigendom bent. Hoe is dat bij ons. Wie heeft het over ons te zeggen gekregen? Na de zondeval de satan. Maar nu is Christus gekomen. Hij haalt Zijn kinderen onder de heerschappij van de satan vandaan. Hij maakt je tot een kind van Hem. Mijn Heere en mijn God. Zo beleed Thomas Hem. En Johannes. Dan belijd je, Abba Vader. Jezus is de Heere. Voor de Vroege Kerk was dat heel fundamenteel. Jezus is de Heere. De keizer noemde zich ook de kurios. De christenen wisten: we zijn niet van de keizer. We horen er lezen ervan. Hoe velen worden er niet gemarteld en gedood? Dat was in de eerste christelijke kerk al. Noord Korea, Jemen, zoveel plaatsen meer. In Afrika. Het gaat erom dat we Hem belijden als onze Heere.

Wat een wonderlijke Heere is Hij! Hij vroeg hebben jullie iets bij het eten? Nu hebben ze Hem ontdekt. Maar dan komen ze aan land en wat zien ze? Daar staat de maaltijd gereed. Een kolenvuur met vissen erop. De staan verwonderd. Dit is ook weer een wonder, een mysterie. Vol verwondering zeggen: Heere, wat bent U goed. Breng wat van de vissen. Maar dat is toch niet nodig! 153 vissen, maar Hij heeft ze niet nodig. Jezus geeft een les met het oog op hun toekomstige werk. Mensen vangen. Hij wil dit leren: Hij heeft hen heel niet nodig. Een onvergetelijke les. Ze moeten niet denken dat de Heere niet zonder hen Zijn werk kan doen. Jazeker, Hij wil hen gebruiken. Dat is een wonder. Daar mogen ambtsdragers zich over verwonderen. Het is en blijft Zijn werk. De apostelen werden ingeschakeld. Hij vraagt hen iets te brengen van de vangst. Maar zij hadden eigenlijk niet gevangen. Het was allesGods werk.

Petrus trekt het net op het land. Johannes telde ze. Het net was niet gescheurd. Het jubelde in hun hart: het is de Heere. Hij deelt nu uit. Hij zorgt voor Zijn discipelen, broeders, ambtsdragers. Hij zorgt ervoor. Niemand durfde Hem te vragen, wie bent U? Ze wisten, het is de Heere. Ze horen het uit Zijn mond. Ze zien het met hun ogen. Met ogen van het geloof. Hij wil zich bekend maken als Heere en Heiland. Roept u al uit: Het is de Heere, wat bent U goed voor mij. Het is te groot voor mij, ik heb het niet verdiend. Genade is het. Kun je niet kopen of verdienen. Alleen krijgen kan je dat. Hij laat ons weten dat Hij die Zaligmaker is door wie we voor eeuwig gelukkig kunnen worden. Niemand hier kan zeggen, ik heb het niet geweten. Hij wil onze Heere zijn. Als je aan Hem voorbij gaat, dat is een eeuwige ramp. Met je kleine verstand kan je dat niet begrijpen. Door geloof word je stil. Net als de discipelen. Ze hebben zich verwonderd. De Heere wil die verwondering in ons hart geven. Wie niet meer aan Hem voorbij kan, is Hij al onmisbaar geworden, dat is Gods werk. Wie in Hem gelooft, heeft het eeuwige leven. Ja, we moeten sterven. Onze geliefden drukken ons de ogen dicht. Maar we staan aan de andere kant op. Hij komt weer. Om dan Hem te zien van aangezicht tot aangezicht. Hier leerden we Hem zien met geloofsogen. Een geloofshand leg je op Hem hier. U bent voor Mij gestorven en opgestaan. En dan te zeggen, daar, Het is de Heere. Belijdt u mee? Het is de Heere die tot mij komt? Ik heb het niet verdiend. Hij doet het omdat Hij een God is van liefde. Hij gaf Zijn Zoon. Hij gaf Zijn leven aan het kruis. De Geest wil ons leiden. Ik hoop dat we allen komen tot Jezus. Dat is het geloof. Hij wijst niet af. Hij zegt, Ik wil jouw Heere zijn, van nu aan tot in der eeuwigheid.

Amen.

Ik zal, o HEER, dien ik mijn Koning noem,
Den luister van Uw majesteit en roem
Verbreiden, en Uw wonderlijke daân
Met diep ontzag aandachtig gadeslaan.
Elks juichend hart zal Uw geducht vermogen,
De grote kracht van Uwen arm verhogen;
Ik zal mijn stem met aller lofzang paren,
En overal Uw grootheid openbaren.

– Psalm 145 vers 2 (berijming 1773)

Hervormde Gemeente Reeuwijk, Dorpskerk, zondag 15 mei 2022, 9.30 uur. Schriftlezing Johannes 21:1-14.