Wat wij weten… Dat het ganse schepsel zucht. De schepselen zonder stem en zonder ziel zuchten vanwege de zonden van ons mensen. Toen God de mens schiep werd de mens daarna aangesteld om te heersen over de dieren. Maar nu is het een zuchten in het dieren- en plantenrijk. De dood heerst, bedreiging rondom en het paradijs wordt het hier niet. Maar… zo was het door God niet bedoeld! Wij zuchten vanwege deze nood. Maar God heeft onze nood de Zijne gemaakt. Wie dat ziet zucht mee. 

Romeinen 8 vers 22 en 23: ‘[22] Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht, en te zamen als in barensnood is tot nu toe. [23] En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams‘.

Want wij weten

Gemeente, want wij weten. Hoe leest u zo’n zin, en jij? De bedoeling is dat als wij de Bijbel leze en woordjes lezen als ik en wij, dan de vraag stellen gaat het dan over mij? Het moet bij ons de vraag oproepen weet ik dit ook? We komen er vanavond als we de Bijbel niet mee weg. Niet dat we zeggen: je hebt bijzondere en normale kinderen van God. Ik kom die mensen nog weleens tegen.

Ik kan niet zeggen dat Hij niet begonnen is, dan zou ik Hem tekort doen. Maar die bijzondere ervaringen… Soms parkeren wij weleens wat om onszelf er dan niet mee bezig te hoeven zijn. Dat zegt Paulus niet. Als het over hemzelf gaat, dan zegt hij dat ook. Opgetrokken in de derde hemel, dat moet ik voor mezelf houden.

Wie belijdt een christen te zijn, moet dit wat hier staat weten. Ik zeg niet hoeveel en hoelang. Voor die wij is geen verdoemenis meer. Vrijgesproken in Christus. Het zijn die wij die weten dat het lijden in deze tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die nog moet komen.

Wat weten wij dan? En in onze kringen vindt het misschien wel veel te weinig weerklank. Dat het ganse schepsel zucht, en te samen als in barensnood is tot nu toe. Ik heb best een aantal bekeringsgeschiedenissen gelezen en wat boeken dogmatiek staan in de kast, maar dit kom ik nauwelijks tegen.

Dat weet toch iedereen? Dat heel de schepping zucht. Dat is heel algemeen. Dat kan iemand die geen vergeving van zonden ontvangen heeft, u prima uitleggen. Maar Paulus bedoelt iets anders. De oorzaak van het zuchten van die schepping.

Ik moest denken aan die man in Lunteren die ik regelmatig bezocht. Hij ging geknakt door het leven. Ook al wist hij dat zij een goede ruil had gedaan. Het sterven was het ergste voor haar niet. Geregeld trof ik hem in tranen aan. Altijd als ik daar kwam lag de Bijbel open. We spraken over koetjes en kalfjes, hij was boer, maar als het over de Bijbel ging dan niet over koetjes en kalfjes praten.

Ik zal nooit vergeten dat ik eens bij hem kwam. Ik kwam via het klompenhok aan. Ik zag hem niet. Waar moet hij dan zijn? Of op het erf of in de stal. Ik trof hem in de stal geknield op de grond. Lag hij nu te houden? Ik zag zijn schouders bewegen. Ik zei zijn naam en toen richtte hij zich op.

Hij had een dood kalfje in zijn armen. Jongen, nou is dit beestje gestorven vanwege mijn zonden. Dat is wat Paulus hier bedoelt. Schepsel is hier wat geen ziel en stem heeft gekregen. Het zucht. Het is aan de ijdelheid onderworpen, aan de doelloosheid. Daarvoor is het oorspronkelijk niet geschapen. Het onderwerpt zich niet gemakkelijk maar het moet wel.

Adam. Hij leeft in uw en jouw hart voort. Die God de rug toekeerde. Het hele schepsel zucht. Die alleen maar zegt: ach wat zielig. Hoe zucht een dier? De oceaan? Een berg? Met opgestoken hoofd. Een zucht van verwachting. Als in barensnood tot nu toe.

Er staat geen doodsnood maar barensnood. Gode zij dank is barensnood zelden doodsnood. Een barende vrouw. De weeën gaan door haar heen en zij door de weeën. Daar sta je maar schaapachtig bij te kijken als man. Daar zie je na de geboorte de rust.

Wat een preek van dat geen stem heeft. Moet een kaviaar die dood in zijn kooitje dood gevonden wordt, mij vertellen. Hier is veel goeds te ontvangen, bovenal voor de mens: eeuwige zaligheid. Maar het blijft hier slechts ten dele. Als je dat op je in laat werken een bezoek aan de dierentuin in de vakantie met het gezin zo alleraardigst, een heftige aangelegenheid. Hoe komt het dat onze jongens zo opgelucht zijn dat de Siberische tijger achter dik glas zit. Omdat die anders… Maar zo was het niet. Zo hoort het niet. En omdat wij te pas en te onpas gebruik denken te kunnen van dieren en misbruik.

Het tekent ons de enorme afstand tussen hoe het begon en hoe het is. Maar de vraag is dan of wij er hoofdschuddend tussen lopen en zeggen ach ach of dat wij de prediking van dat wat geen stem heeft mogen overnemen. Het ganse schepsel met opgestoken hoofd verwacht. Waar is het bij ons dan? Kijk nog eens rond in uw prachtige woning, dit prachtige kerkgebouw? In de luxe en welvaart die we ook in het geestelijk leven hebben.

Nu beginnen we een beetje te klagen want we kunnen niet met allemaal naar de kerk. Er zijn een aantal dingen die ons niet meer comfortabel zijn. Is dat er dan voor nodig om te vragen zou dat dan bijna het einde zijn? Als dat er voor nodig is, dan weet de Heere dat. Ik ga niet aan alle dramatiek voorbij. Economisch. Qua volksgezondheid. Je moet maar een geliefde hebben die is overleden door het virus.

Maar dat dit de vrucht is van Gods ingrijpen in deze tijd, erbij bepaald worden: dit wordt nooit het paradijs. We kunnen slechts ten dele genieten, toch?! We zijn pelgrims, vreemdelingen. Hoe kan ik ten volle vreugdevol zijn als er zoveel lijdt? Als ik vergeving van zonden heb ontvangen, hoe kan ik ten volle vreugdevol lijdt ook dat wat geen mens is. Er is vreugde in de hemel over een zondaar die zich bekeert. Maar er is elke dag die weekklacht in het grote hart van God.

Als Adam en David moeten zeggen: zou de mens dan tevergeefs zijn geschapen? Hoe denkt u dat het menselijk gesproken bij God binnenkomt? Wij hoeven Gods nood niet te hulp te komen. Maar God heeft onze nood de Zijne gemaakt. Wie dat ziet zucht mee. Als je weet dat het ganse schepsel te samen zucht. Dan ga je je ook afvragen waartoe dan?

Dat opgestoken hoofd, wanneer komt de dag dat de kinderen van God geopenbaard worden. Wat bedoelt Paulus? De meeste verklaarders zijn het er wel mee eens: de dag van de opstanding der doden. Wij herkennen aan de vruchten de boom. En met het oordeel van de liefde moeten we waar de vruchten zichtbaar zijn het ervoor houden. Maar wij kunnen ons vergissen.

Wij moeten elkaar niet de maat nemen en al helemaal niet maat 46 op een klein plankje slaan en dat het alles eraan moet voldoen waar het nieuwe leven nog maar net begonnen is. Wij kunnen ons vergissen maar op die dag als Jezus Zijn voet zet op deze aarde en de graven opengaan, zal blijken wie openstaan tot eeuwige heerlijkheid en anderen tot het eeuwige verderf.

Als bomen, dieren en planten, weet het. Nu is er voor ons ook een onbeperkte harmonie. De koe, leeuw en berin zullen samen stro eten. Wat een prediking. Te meer een reden om onze ogen te gebruiken. Niet alleen als je de Heere kent maar ook als je buiten dat geheim staat. En jezelf de vraag moet stellen: als zij zo gevoelig zijn voor God, hoe hard ben ik dan?

Als ik hier probeer over de rug van de natuur, van dieren hier het eeuwige leven probeer te verwerken. Terwijl ik het weet. En straks de tweesprong. U bent het toch niet? Die straks de dieren, bomen en planten tegen je hoort getuigen. U bent het toch niet die uw geweten heeft toegeschroeid. Je neemt niets mee.

Laatst hoorde ik dat van een hele rijke man in Amerika. Mensen vroegen aan zijn accountant: hoeveel heeft hij nagelaten? Niets. Want wat telt als je alleen maar geld, een titel van je imperium achterlaat als je eeuwige bestemming de hel is.

Kijk in het rijk van de natuur. Als het tegen je getuigt, laat je erin meenemen. Heere, laat mij erin zuchten. Dat doet het schepsel. Dan wordt het heel persoonlijk. Ook wij ook zelf. Zeg ik, in onszelf, zegt Paulus derde keer. Niet die ander, maar wij. Er wordt veel gezucht en vaak is het vanwege de zonden. Vanwege de zonden. Niet alleen maar vanwege de gevolgen van de zonden. Juist als we de Heere kennen, dan een zuchten vanwege de zonden. Heere, wat heb ik U lang laten wachten. Wat ben ik toch een vreselijk mens dat ik tegen Uw liefde te zondigen terwijl U Uw Zoon voor mij over had. Ik ellendig mens.

Als het zuchten van de barensnood ontbreekt, doe je je als kind van de Heere tekort, en zeker de Heere. Het kan toch niet anders? Na het voorschot ontvangen verlang je naar meer. Zekerheid van het geloof. Je weet het niet zalig geworden op basis van wat ik zie maar op zekere grond hoop op het eeuwige leven. Gefundeerd te worden in het werk van Christus.

Juist als je daarvan geproefd hebt, neem het verlangen toe. De aanneming tot kinderen. Misschien dat er iemand hier of thuis is die zegt: ik begrijp het niet. En een ander die zegt: ik begrijp het wel. Laten we beginnen die het wel begrijpen maar ernaast zitten. Die grote Paulus moest nog verwachten dat hij aangenomen zou worden. Helemaal zeker was hij er niet op. Hij hunkerde er wel naar, wel bepaalde kernmerken. Als hij op zijn hoogtepunt dit zegt, wie zijn wij dan? Maar dat is niet gezegd. Als u dat denkt dan moet ik u corrigeren.

In mijn jeugd heb ik heel vaak onder de prediking van ds. Kok gezeten. Romeinen 7 is het leven, Romeinen is de kracht 8. Al ben je in Christus volkomen heilig, dan nog voor jou beleving het vlees dat je doet zondigen waar je aan lijdt en waar je geen excuus voor kunt vinden. Dat doet je juist in de kracht zeggen: u hebt de geest ontvangen tot aanneming tot kinderen. Abba Vader. Ben je dan kind als je dat mag zeggen?

Waarom? De Geest van God getuigt dat wij kinderen van God zijn. Het gaat daar niet over de wedergeboorte of zekerheid van het geloof. Maar iets anders. Het helpt zijn eigen uitleg te laten staan. Namelijk, de reden. De verlossing van ons lichaam. Verlost te worden van je lichaam is een synoniem van aangenomen te worden tot kind. Het kan niet anders dan dat Adam niet meer leeft.

Niet verlost van het oude lichaam. Daarin pijn en verdriet kan hebben. Dat speelt op de achtergrond wel mee. Van die neiging in mij om toch nog te zondigen. Om God de eer te geven die Hij waard is. Om mijn vrouw niet lief te hebben zoals ze waard is, mijn man, mijn kinderen, de dieren te zorgen zoals God mij aangesteld heeft. Adam begraven. Daar wacht ik op: de opstanding der doden.

Na mijn sterven gezaaid te worden in de aarde. Die onuitsprekelijk toekomst. Niet meer terug hoef te denken aan Saulus maar ook niet aan Paulus. Maar Openbaring 21. Zie Ik maak alle dingen nieuw. Een nieuwe naam geven. Daar verlangt Paulus naar omdat de wereld en de duivel en je eigen vlees ervoor zorgen dat je nooit helemaal tevreden kunt zijn.

Ik herinner mij dat ik aan mij vader vroeg, en dat ik het nu nog weet is omdat mijn moeder het mij nog weleens ter herinnering brengt, papa u bent toch voor niemand bang? Papa liet zich even meeslepen door die triomfantelijke ogen van mij. Natuurlijk jongen, ik ben voor niemand bang. En mijn moeder die daar bijstond zei: zeg je dat niet iets te snel?! O ja, dacht ik. Hij is bang voor de duivel. Nee, papa klopte op zijn borst en wees ik ben voor die persoon bang.

Laatst stuurde een jongere in Schoonrewoerd mij een lied toe met ‘Later als ik geen pijn meer doe’. Die had ik nog niet gehoord. Niet dat ik geen pijn meer heb maar pijn meer doe. U ter ere leven. Niet alleen de schepping zonder stem maar ook de gemeente van Christus die zoveel geproefd hebben, die zuchten naar de voltooiing.

Misschien is er wel iemand die zegt: dominee, weet u wel waar u het over heeft? Die vraag moet je als voorganger stellen. Ik zeg in alle eerlijkheid: ook ik ken ten dele. Des te meer je jezelf tegenvalt, valt de Heere mee. Hoe vaker je bij een graf hebt gestaan. Des te meer die tranen te zien in de ogen van Christus. Lazarus die nog een keer moest sterven nadat hij opgewekt was.

Het is wel hoog he. Mag het dat Paulus, de Heilige Geest de lat hoog legt? Wie zegt dat u daar naartoe moest krabbelen? Het is God die het zelf geeft. Dat dit leven misschien wel gaat naar een rollator, een chemokuur, een auto-ongeluk. Maar er is veel meer dat komt. Mag je niet genieten? Ja, van wat nog over is in de schepping, ja. Van die paradijsbloem het huwelijk, ja. Maar als je weet wat je zelf moet missen.

Ik ben zo benauwd voor mijn kinderen. Is dat niet voor mezelf? Dan is het of hemel of hel. Hoe kun je naar die dag verlangen als je weet dat het eeuwig te laat is voor degenen die je lief en dierbaar zijn? Wat moet ik dan bidden? Wilt u die en die nog bekeren? Of: kom vandaag nog. Er staat: de Geest bidt met onuitsprekelijke zuchtingen. Vers 26.

Heb je dat weleens meegemaakt? Dat je een gebed begon dat het overgenomen wordt. Dat je voordat je begon: waar begin ik aan. Dat gebed van mij dat klonk als een gebarsten klok overging in het gebeier van de roep van de bruid. Ja kom haastig.

Ik zal nooit vergeten dat ik eens gebeld werd door een intens verdrietige moeder. Dochtertje in de armen van de dokter overleden, vijf jaar. Ik was amper 22. Kunt u komen, we moeten alles gaan regelen.

Het was niet een begrafisondernemer alleen maar ook een vader die twee kinderen naar het graf gedragen had. Hij ging voorop. Hij heeft niet veel gezegd. Hij ging zitten en zuchtte.

Morgen tut ik me weer op. Ik heb het dan goed en dat mag op zichzelf ook wel weer. Of zo oppervlakkig of er helemaal in getrokken worden. Maar waar bid ik dan om? Als ik weet als me vrouw dan voor eeuwig verloren is, dat er nog zoveel moslims zijn die nog nooit echt het oprechte Evangelie hebben gehoord. Waar vraag ik dan om? Verwacht het van de Geest die voorop gaat, die het overneemt. Ga maar op de knieen als een kleine jongen, als een meisje.

Uw Geest doorzoekt toch het hart wat de mening van de Geest is? Dan zal het toch aanstekelijk zijn of tot schrikken manen. Zoals het einde van de Bijbel, Openbaring 22. De Geest en de bruid zeggen: kome. En die het hoort. Zegge: kom! Ziet u het verband? Als de gemeente het zo zegt. Wij verwachten een nieuwe hemel en aarde. Dat anderen dan zien: het wordt tijd.

Heden zo u Zijn stem hoort, verhard u niet. Alles wat de Heere hebben ontvangen, een gebed om vergeving. Heere, wat gaat er echt van ons uit dat wij hier niet thuis zijn maar boven ons vaderland is. Als je het echt mag hopen, niet ziet want dan hoef je het niet te hopen, geholpen door de Geest. Dit weet ik vast: God zal mij niet begeven of verlaten.

Want ik houd het daarvoor, dat het zuchten van deze zondaar niet te vergelijken is met die juichkreet daar. Geen denominaties meer. Geen discussies meer. Maar een lofzang aan God. Het Oude Testament zegt het al: de bergen zullen juichen. De doorn zal voor een dennenboom opgaan. De vraag is: ben je daarbij? Dat moeten wij nu, hier, beantwoorden. Amen.

 

Zondag 25 oktober 2020 – Hersteld Hervormde Gemeente Putten – ds. F. van Binsbergen – Schriftlezingen Romeinen 8 vers 18-27