Petrus en Johannes genezen in naam van Jezus een verlamde man bij de Schone Poort. Dit wonder is een teken van het Koninkrijk van God waarin niemand meer ziek zal zijn er waarin alles wat ons nu nog zo vaak verlamd, uitgewist zal worden.

Geliefde broeders en zusters, hier in de kerk en thuis, wat een contrast bij die poort. Een Schone Poort en een arme man. Ongeveer 40 jaar was die man. Nooit een stap had hij kunnen zetten. Van kindsbeen af kreupel. Iedere dag werd hij daar neergezet. Dat nam een netwerkje op zich. Niet gering. Dat kwam iedere keer terug. Een hele klim, die Tempelberg op. Dat deden ze dan toch maar voor hem. Daarna gingen zij hun eigen weg. We moeten het niet mooier maken dan het is. Iedere dag weer wachten tot je weer gehaald wordt. Sorry, vandaag lukte het niet eerder. Geld bij elkaar bedelen.

De tempel was wel een strategische plek. Een menigte van mensen kwam voorbij. Misschien zijn mensen daar vrijgeviger? Die man herinnert aan het doen van barmhartigheid.

Op een dag stuiten Petrus en Johannes op deze man. We hadden het er al over in de consistorie. Had u verwacht dat ze daar nog een stap zouden zetten? Na alles wat er gebeurd was. Het Sanhedrin was daar. En het offer was toch al gebracht? Johannes en Petrus hadden de band met hun volksgenoten niet doorgesneden. God heeft Zijn volk niet verstoten. Dat moeten we beseffen en bedenken. Het antisemitisme is weer terug van nooit weggeweest. Het zou er toch ook slecht uitzien als God niet trouw zou zijn aan Zijn volk?! Doen wij het beter dan Zijn volk? Het zou er toch niet best uitzien als God Zijn verbondspartner inruilt. De geest van deze tijd is: inruilen voor een ander. Dat is niet de geest van God.

God is trouw. Ondanks de trouw van Israël. Dat zegt Petrus. De Heere wil met Zijn volk van doen hebben. En daarom gaan Petrus en Johannes. Op de tijd van het gebed.

Die man roept om een aalmoes. Petrus en Johannes zien hem niet over het hoofd. Ze kijken hem doordringend aan. Is dat niet een gevolg van Pinksteren? Hij vormt ons naar het beeld van Christus. Christus zag de mensen. Juist de ellendigen. Mensen die op een dood spoor geraakt waren. Mensen die door anderen geen blik meer waardig gekeurd werden. Hoeren, tollenaren, zieken… Jezus hoefde niet beter worden van hen, maar zij van Hem. Deze ontvangt zondaars en eet met hen.

Deze man zal gewend zijn geweest naar de grond te kijken. Kijk ons aan. Van mens tot mens. Het patroon van bedelaar en gulle gever doorbreken. Elkaar in de ogen kijken. Vast, nu ga je het krijgen. Hij verwachtte iets te krijgen. Een echte grote gift? Een waar je vooruit mee zou kunnen.

Petrus zegt: zilver en goud heb ik niet. Wat zal die man gedacht hebben? Maak dan niet zo’n ophef en theater. Loop dan door. Maar ik heb iets mooiers, zegt Petrus. De naam van Jezus. Daarin ligt opgesloten wie Hij is. Zijn werk. Die heerlijke naam – die meer waard is dan het fijnste goud op het aard.

(…)

Hij zorgt ervoor. God wil ons in Hem aanzien alsof we nooit een zonde hadden gekend of gedaan. Die naam is goed voor een nieuw leven. Voor een Koninkrijk waarin niemand meer ziek zal zijn. Gods zaligheid zal een eeuwigheid duren.

Van die toekomst krijgt die man een teken. Een teken van genezing. Opfallend! In het boek Handelingen kom je een wonder nooit los tegen. Altijd als teken van het Koninkrijk dat komt. Die man kon eerst niet lopen. Nu: lopen, wandelen, springen, huppelen. Die spieren hebben nooit dienst gedaan. Hoe kan dat? Hij loopt! Hij springt. Hij maakt de naam van God groot. Ik vind het mooi om er niets van te zeggen: lopen en loven. Vers 9. God loven. Dat steekt die man dus niet onder stoelen of banken. Niet straks thuis, nee, nu al. Hoorbaar en zichtbaar. De mensen zagen hoe hij God grootmaakte. Wat dragen wij uit? Als kerk, gemeente, persoonlijk? Wat zien mensen aan ons? Wat hebben we? Die naam toch? Jezus. De Heere redt. Het leven heeft toekomst om Jezus’ wil. Naar Zijn huis, tafel, toekomst.

De mensen om hen heen zijn verbaasd. Vissers uit Galilea die deze man aan het lopen krijgen.

Hij (Petrus) maakt zich niet los van het joodse volk. God heeft Zijn knecht (kind) – Jesaja 53 – verheerlijkt. In felle contrasten schetst Petrus wat God wilde en wat het volk deed. Jullie kozen voor Barnabas. Petrus legt de verbinding tussen de God van Abraham, Izak en Jakob en Jezus. De mensen legden die verbinding niet natuurlijk. Petrus wel.

Hij de Heilige en Rechtvaardige, jullie hebben Hem gedood. Het kan heel verlammend werken als je beseft dat je fout geweest bent. Bewust of onbewust verkeerde keuzes gemaakt. Misschien in de achterliggende tijd. Hoe heb ik het kunnen doen? Dat je er naast gezeten hebt? Dat is toch wat zonde is? Je doel missen. Doel wat God heeft met je leven. Ernaast zitten. Hoe vaak hebben we er niet naast gezeten?! Dat de focus lag op onszelf. God in de hemel helemaal vergeten. Alleen maar gericht op onszelf. Ernaast, naast het doel dat God met je leven stelt.

Je schrikt misschien. Het is een week van voorbereiding. Viering Heilige Avondmaal volgende week. Je beseft: ik sta schuldig voor God. Je voelt: ik heb geen been om op te staan. Ook van die verlamming wil het evangelie genezen.

Petrus zegt: ik weet dat jullie het uit onwetendheid gedaan hebben. Ik weet niet of ik dat zo gezegd zou hebben. Misschien die mensen die meegelopen waren en geroepen hadden: Kruisig Hem. Maar de leiders wisten het toch wel? Jezus zelf bad ook: Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen? Is het daarom minder erg? Verminderd toerekeningsvatbaar of verzachtende omstandigheden? Nee. Ik denk niet dat het betekent dat het minder erg is. Misschien juist erger als je niet weet wat je doet. Voor veel zonden geldt dat we ze gedachteloos doen. Dat we niet beseffen wat we aanrichten.

God zet Zijn plan door. Niet: als Mijn volk zo is, stop Ik ermee. Nee. Petrus grijpt nu deze mensen bij de hand. Er is vergeving voor jullie. Een nieuw begin. Vergeving van onze zonden. Kom tot inkeer en bekeer je. Kom tot jezelf. Bedenk eens wat je hebt gedaan. Bekeer je. Vanuit belijdenis van zonde en schuld. Zeg maar wat er verkeerd gegaan is. Je zonden zullen worden uitgewist. Prachtig beeld. De schuld Uws volks hebt Ge uit Uw boek gedaan.

U hebt de Heilige en Rechtvaardige gedood. U hebt zich aan Hem vergrepen. Maar in belijdenis is er vergeving. Laat je niet verlammen door schuldbesef. Je mag je verleden achter je laten. Loof Hem die al wat u hebt misdreven… Volkomen verzoening van al je zonden. Hier nog ten dele. Iedere keer hebben we die vergeving nodig. Nog niet alle zieken worden beter. Niet alle verlamden krijgen hun benen terug. Maar soms hoor je: zelfs in een ziekbed, sterfbed kan opspringen in de Heere. Hij draagt me in Zijn gunst en goedertierenheid. Met Hem kan me niets overkomen. Ik sprak iemand die veel moest meemaken. Zijn gezicht straalde. Jacco, zei hij, ik ben een Koningskind. Door de Vader bemind. Een grotere rijkdom dan dat is er toch niet?! Niet omdat ik zo goed ben. Maar omdat Hij zo goed is. Straks zullen de zonden weg zijn. En de gevolgen van de zonde ook. Het zal een en al blijdschap zijn. Het straalt er van af. Nooit meer iemand die zegt: wat zie jij er bedrukt uit? Altijd vol van de liefde van Hem. Hij kocht ons met Zijn dierbaar bloed. Alles wat ons hier verlammen kan, zal van ons afvallen.

Zo mag u volgende week avondmaal vieren. Zijn dood gedenken. Zijn dood die zondaren leven geeft en leven geeft. Totdat Hij komt.

Amen.

Maar ’t vrome volk, in U verheugd,
Zal huppelen van zielevreugd,
Daar zij hun wens verkrijgen;
Hun blijdschap zal dan, onbepaald,
Door ’t licht, dat van Zijn aanzicht straalt,
Ten hoogsten toppunt stijgen.
Heft Gode blijde psalmen aan;
Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;
Laat al wat leeft Hem eren;
Bereidt den weg, in Hem verblijd,
Die door de vlakke velden rijdt;
Zijn naam is HEER der heren.

– Psalm 68 vers 2 (berijming 1773)

Hervormde Gemeente Reeuwijk, zondag 9 juni 2024, 9.30 uur. Schriftlezing Handelingen 3: 1-20.