Een gedichtje uit de troostrol van Jeremia heeft een dubbele bodem. God verwerpt Zijn volk niet, alhoewel ze Hem wel verwerpen. Wij hebben met de wetenschap God verworpen, maar God heeft in Christus zijn onpeilbare liefde getoond. Het is ook in de lijdenstijd belangrijk om het alleen over Zijn grootheid te hebben en niet onszelf telkens centraal te stellen.

Gemeente, broeders en zusters, het is een gedicht. Ons vers is de derde regel van het gedicht. Misschien dat u het al zag in uw Bijbel. Of u moet dat van de week opzoeken. Het is anders afgedrukt. Het ritme van de twee kolommen wordt even onderbroken. Dat is om te laten zien dat het andersoortige tekst is. Gedichten kan je niet zomaar op papier drukken. In de opmaak van de Bijbel heeft men geprobeerd daar rekening mee te houden.

Houdt u van gedichten? Ik houd wel van gedichten. Er zijn prachtige gedichten. U hebt misschien wel een favoriet. Misschien weet u dat nog van de basisschool. Of iemand die dichtbij u staat of stond, dat u weet wat diens favoriete gedicht was.

Het gedicht ‘Jonge sla’, kent u dat? Van Rutger Kopland. Als je het leuk vindt, moet je het opzoeken. Jonge slablaadjes in hun bedje. Zo ontroerend. Je zou ter plekke een groentetuin beginnen.

Meestal is het wel ingewikkeld, soms, met gedichten. Het is, nou ja, de woorden worden anders gebruikt. Tot je verbazing lijken ze iets anders te betekenen. Het kan best lastig zijn. Zinnen die anders lopen. En altijd weer die dubbele bodems. Als je niet een dubbele bodem hebt ontdekt, heb je het nog niet goed gelezen.

Een plus een is twee. Daar is geen twijfel over. In een gedicht kan het vijf zijn. Neem het gedichtje over twee ouders waaruit twee kinderen zijn geboren. En een papegaai. Daar gaat dat gedichtje over. Die papagaai zei: een plus een is vijf. Onzin, zeiden de kinderen, een plus een is twee, leerden ze op school. Het gedichtje vertelt dat ze de papegaai proberen aan te leren dat een plus een twee is. Misschien is die papegaai zo dom niet, zeiden de ouders, zegt het gedichtje. Nu zijn we met z’n vijven. We waren eerst met z’n tweeën. En dan krast die papegaai natuurlijk een plus een is twee. Bij de supermarkt werkt het niet, een plus een is twee en u neemt vijf artikelen mee. In een gedicht kan het wel.

Alles is soms anders in een gedicht. Dat is de bedoeling, de kunst ervan. Je kunt dingen zeggen die je in gewone taal niet zo makkelijk kunt zeggen. De taal van de gedichten leert ons heel.

Nou goed, u bent niet gekomen voor een expose over g gedichten. Jeremia houdt wel het meest van de gedichten. Hoofdstuk 30 en 31 horen bij elkaar. In die hoofdstukken staan 7 gedichten. Onze verzen zijn het zevende gedicht. Waar die andere staan: dat is een aardigheidje voor een Bijbelquiz.

Het is het troostboek van Jeremia. U weet van de klaagliederen. Dit staat in teken van de troost. De troostrol van Jeremia. Waar bestaat dat uit? Waar gaat het om? Troost. Denk maar aan Jesaja 40. Troost, troost, mijn volk. Zoiets gebeurt hier ook in deze twee hoofdstukken. Het komt weer goed! Na alle ellende, na alle gericht, rampspoed, droefenis, ellende. Er komt een wending. Dat is voor jullie troost! Ik laat het verkondigen. Jeremia 30 begint zo. De dagen komen, luidt het woord van de HEERE! Ik zal hen terugbrengen in het land der vaderen. Dat moet als troost en hoop geklonken hebben.

Ze zijn ver weg. Onder vreemde heersers. Verstoken van de dienst. Je schuil moeten houden. Niet te koop lopen met je identiteit, afkomst. Nee. Er komt een keer! Een wending. Van een heel andere orde. Dat is natuurlijk muziek in hun oren. Troost! Het komt goed.

Troost in hun lijden. Er is veel lijden. Er was altijd al veel lijden. Vandaag ook. Dat geloof ik wel. Geloof je ook dat er troost is? Bijvoorbeeld deze troost, die de Heer laat verkondigen? Dat is niet zo makkelijk. Het lijkt toch eindeloos, dat lijden. We krijgen zoveel voor elkaar maar net zoals we stikstof niet naar beneden krijgen, lukt het met lijden ook niet. Lijden doen afnemen?! Laat staan uitbannen: dat lijkt onbegonnen werk. Dat is het ook.

Des te harder, zou ik zeggen, is er troost gewenst. Of niet dan? Niet troost bedoel ik, om moed in te spreken, om vol te houden. Maar er verandert niks… Nee! Dit gaat veel verder. Het blijft niet zoals het is.

Troost die er toe doet, die hout snijdt. Niet makkelijk, goedkoop. Ik ben met u! Diezelfde wending. Die grote verandering die eraan komt.

Wij weten goed uit het lijdensevangelie wat dat betekent. Gods Zoon aan het kruis: dat is ongehoord. Niet makkelijk, goedkoop.

Een wending, zei ik. Nu moet ik het nog ietsjes aanscherpen. Jawel, het komt goed, maar het gaat er om dat het goed komt met God. Het komt goed tussen God en Zijn volk. Tussen God en Zijn mensen. Nou ja, daar had het aan ontbroken. Daar had het gedoe en ongemak had daarmee te maken. Als er een profeet is die dat heeft onderstreept, is het Jeremia. Het troostboekje is bijzonder: desondanks komt het weer goed. Nou dan weet u ongeveer in welk verband ons gedichtje staat.

Kijk, nu is de kern van de troost, is wat er staat in vers 31-34. Die hebben we gelezen. Het nieuwe verbond. Dat is die nieuwe relatie. De wending, ommekeer zit in een nieuwe relatie. Een verhouding zal het zijn van hart tot hart. Vanuit de HEERE zelf en vanuit de mensen. Dat is wel heel bijzonder hoor!

Als er een is wie daarnaar verlangt, is het de HEERE zelf! Dat kan niet gezegd worden van de mensen. Als er een profeet is die iets gezegd heeft over die harde harten van ons, dan is het Jeremia wel. Hoe moet dat dan? Het kan! Dat is het bijzondere en speciale. De harten van mensen worden omgekeerd. Dat gebeurt door vergeving van zonden en ongerechtigheid.

Is dat troost of troost? Dat is een feest! Nu weet u niet alleen het verband, maar ook waar het in die troost om gaat: om onuitputtelijke troost.

Dan volgt ons gedichtje. Dat gaat over de HEERE. Over de HEERE zelf, alleen over Hem. Even niet – gelukkig – over de mensen en hun gedoe. Even alleen over Hem. We gaan het alleen over Hem hebben, niet over onszelf.

Wie Hij is, hoe Hij is. Dat Hij betrouwbaar is. Er is geen tweede. Hij is bijzonder! In het gedichtje wordt God groot gemaakt. Dichterlijke woorden. De profeet gebruikt de schepping om God groot te maken. Hij ziet verbanden en regelmaat van licht en duister en de krachten van de elementen. Het huis van de schepping. Dan zegt hij: als dat zou ophouden, die regelmaat (dat is onvoorstelbaar), ja dan zou de HEERE Zijn handen van alles aftrekken. Het is onvoorstelbaar dat de HEERE dat zou doen.

Waar twijfel je dan nog aan? Dat is toch troost! Dat is bemoediging en kracht. En dan ons vers.

Als de hemel te meten is en de fundamenten van de aarde na te gaan zou zijn, als het ooit zover zou komen, ja dan zou God Israël verwerpen. Het is onvoorstelbaar! Hij zal Israël nooit verwerpen. Lof zij de HEERE!

Alleen over Hem. Laten we alleen over Hem proberen te praten. Dat wil ik. Ik weet niet hoe u dat ervaart – om het alleen over de HEERE en Jezus te praten. Ook in preken is dat een hele uitdaging. Ook in deze preek. We fietsen er altijd doorheen. Ons hart, ons kijken: even helemaal alleen op Hem. Het is begrijpelijk, het mag ook wel, maar soms ronduit storend is het.

Ik kan het verklaren: het is veel simpeler om van alles over onszelf breed uit te meten. Proberen om alleen te praten, stil te staan bij de grootheid van God en de zuiverheid van Jezus Christus. Als mij dat ergens stoort, is dat uitgerekend in de lijdenstijd. Hij moet die weg toch alleen gaan! Kom er niet voortdurend tussendoor. Ja, in aanbidding en dankzegging. Wij moeten er tussen uit? Ga er dan tussenuit! Laat Hem de plek innemen. Zodat Hij de Zaligmaker is. Hij alleen.

Hoe vaak lezen we niet dat mensen er met alles tussendoor komen. Palmzondag: een hele meute. Waar leidt het toe? Het leidt af. Geloof me: Hij moet die weg alleen gaan. Loop Hem niet voor de voeten. Blijf Hem volgen met je ogen, hart. Zie wat Hij doet en wat Hij zegt. Hoe Hij het volbrengt. Zoek uw troost in Hem alleen. Al het andere wordt u gegeven. Hoeft u zich niet druk over te maken. Houd het op Hem alleen! Hoe bevrijdend is het om niet voortdurend met jezelf bezig te zijn.

De hoogte van de hemel meten, de diepte van het fundament van de aarde peilen, als dat mogelijk is, dan… Maar dat is toch mogelijk? We meten de omvang toch al? De omvang van het heelal ook. De breedte van het waarneembare heelal is ook bekend. Een meetbaar getal. Kortom, de dichter weet misschien niet beter, maar wij weten dat allang. Wij wel. Misschien weten we niet alles, maar we hebben middelen om alles te weten. Achter de komma kunnen er cijfers bij.

Wat hier staat, is helemaal niet onmogelijk! Zou God het dan dus ook voor gezien houden? Het is ongelooflijke geschiedenis. Vanuit de Reformatie werd wetenschappelijk onderzoek gestimuleerd. Het boek van de Schepping zo goed mogelijk lezen: tot eer van de Schepping. Maar de wetenschap ging een ander weg. Maar de bijl werd aan de wortel gelegd. Het geloof raakte in diskrediet. Dat weten we goed genoeg. We hebben het er lastig mee. Geloven is vooral iets voor je gevoel, gemoedstoestand, voor je hart? Je wordt er blij, vrolijk van. Het is niet noodzakelijk dat er een God is. Het kan heel goed zonder, zeggen veel mensen. Om je vroom of blij te voelen, heb je God niet nodig? Herkent u dat niet een klein beetje?!

Nu het allemaal mogelijk is: meten en peilen, hoogte van de hemel, diepte van de aarde. God heeft niet Israël verworpen, maar wij hebben God verworpen. Wij hebben God niet meer nodig. God is dood, toch? Dat zei Nietzsche. Vervangen door wetenschap. God heeft ons niet verworpen, welnee, wat een flauwekul.

Wat blijft er nu over van ons gedichtje, broeders en zusters? Dat brengt me toch weer bij het lijdensevangelie, in deze lijdenstijd of veertigdagentijd. Inderdaad: de mensen verwerpen de Zaligmaker. Kruisig Hem. De dood met Hem. En dan is er ineens een stem, uit de hemel. Dat moet haast wel de hemel van het gedichtje zijn. Ik heb Mijn grootheid getoond en zal Mijn grootheid tonen! Ah! Dat is de dubbele bodem. Je kunt wel de hemel en aarde peilen, maar daarmee weet je de grootheid van God nog niet. Die is niet te meten of peilen. Dat is de verassing. Er is een niet na te meten verhouding tussen de naam van God in de schepping en in de liefde van Christus. Een liefde in Zijn Zoon om de schepping te behouden. Dat is de verrassing en de profetie! Daar moet je niet tussen willen zitten. Hem vrij baan geven! Op weg naar het kruis. Op weg naar je hart en leven.

Wat een onzin! Natuurlijk kan de wetenschap het niet meten: de grootheid, liefde van God. Hoe hebben we ons zo van de wijs kunnen laten brengen? Door succes. Zijn we dol op. Gaan we op de banken. Dat alles maakbaar is. Ondertussen de grootheid van de Naam gemist. Toen al dachten ze dat het een donderslag was. Zitten ze er weer tussendoor te praten. Stel je voor dat ze bedacht hadden dat het antwoord was op het bidden van de Zoon. Laat zien hoe groot Uw Naam is. Dan klinkt: Ik heb, Ik zal…! Dat is typisch de Naam van de HEERE. Dat is de liefde, trouw: allermeest. Hij zal Zijn Zoon verheerlijken. Hij zal het offer aanvaarden. Nog een dubbele bodem. In het troost gedichtje. Ze kunnen Mijn Zoon wel verwerpen, maar Ik verwerp Hem niet. Ze kunnen Mijn wel verwerpen, maar Ik verwerp hen niet. Zelfs niet om wat ze Hem aandeden. Aan een kruis hebben ze Hem genageld. Daarin is vergeving van zonde. Zijn liefde reikt dieper dan wat ook!

Zo wonderlijk, zo’n dichtregel. Neem geen genoegen dat je denkt, ik snap het ongeveer wel. Ga op zoek naar de driedubbele bodem. Ontdek het fundament van de troost. Daarom verlang ik naar Hem. Daarom verheft mijn ziel Zijn Naam!

Amen.

Protestantse Gemeente Gouda, St. Janskerk, zondag 24 maart 2024, 17 uur. Schriftlezing Jeremia 31:31-37 en Johannes 12:23-30. Palmzondag.