In de genezing van de dochter van Jaïrus zien we dat Christus de opstanding en het leven is. Jezus komt van de andere kant van het meer, waar Hij verzocht was weg te gaan. Hier wordt hij uitgenodigd te komen – iets dat wij ook moeten doen. Jaïrus gaat met zijn nood naar de Zaligmaker. Die laat zich onderweg naar het huis van Jaïrus nog onderbreken, maar alle dingen werken mee ten goede. Jezus laat het kleine meisje, dat 12 jaar was en dus op de grens van volwassenheid stond, opstaan uit de dood. 

Er wordt over drie mensen in het evangelie die worden opgewekt uit de dood, door onze Zaligmaker. Slechts drie. Het meisje hier, die een paar minuten geleden is gestorven. De zoon van de weduwe was slechts een paar uur dood. Het was dezelfde dag, dat hij stierf. Lazarus was een paar dagen geleden gestorven. Minuten, uren en dagen. Maar dan het verrassende: er zijn er drie genoteerd. Zullen er niet meer zijn? Ze zijn opgeschreven om de waarheid te laten zien: Hij is de God die dode mensen laat opstaan.

Het evangelie is er heel kort over. Niet pagina’s, na pagina’s. Christus doet mensen opstaan uit de dood. Zo simpel is dat. Hij is de God die dode mensen. Dode zondaren, mannen en vrouwen.

Een ander iets dat heel duidelijk is: er zijn dus drie beschrijvingen. In Mattheus, Markus en Lukas wordt deze geschiedenis beschreven. Het meisje is 12 jaar oud.

Ik ga er zo op door, maar een observatie om mee te beginnen: jonge kinderen kunnen komen tot de levende kennis van de levende Christus. God houdt dat niet bij kinderen weg. We bidden dat jonge mensen vandaag bij de Heere worden gebracht.

Het is altijd belangrijk om de passage in de context te bezien. We doen dat hier ook en wel om een reden. We gaan terug naar het vorige hoofdstuk. De Heere is in Kapernaüm (vers 18). Hij gaat naar de andere kant van het meer. Hij heeft daar de man genezen die demonen bezat. Een bezeten man. Hij bevrijdt hem van de kracht van de duivel. Maar wat de mensen doen, ze gebieden de Heer – hoe verrassend ook: ze vragen Hem hun gebied te verlaten. Ga weg uit ons gebied, zo snel mogelijk. Wat een triestheid! Ze vragen de Heere om te vertrekken. Wat een beeld van de mens. Dat is een beeld van ons voor onze bekering. Weg met God, niet in ons land.

Het ding wat ik wil zeggen is: Hij gaat naar de andere kant van het meer. Daar is die man, Jaïrus. Hij zegt: Christus is aan deze kant van het meer, laat ik naar Hem toegaan. Aan de andere kant zeggen ze: ga weg. Aan deze kant zegt Jaïrus: kom naar mij.

Het leven is een mysterie vaak. We begrijpen het vaak niet. Maar de kracht van God werkt in deze wereld. Wat we zien en meemaken; we zullen zien wat Gods werk is. Ondanks de moeilijkheden. Op een dag zullen we de onthulling van God zien. In beter land. We zullen begrijpen.

We gaan terug naar het meisje van 12 jaar. 12 jaar betekende toen heel veel. Een kind werd toen een volwassene. Ze kwam op haar leeftijd. Ze kon trouwen. Dat kon toen op die leeftijd, en ook kinderen krijgen.

We plaatsen onszelf in de schoenen van Jaïrus. Het is zijn enige dochter. Hij houdt van haar. Spoedig zal hij misschien grootvader worden. Maar ze is ziek. Erg ziek. Tot de dood. Je kunt je voorstellen hoe dit zijn plannen doorkruiste. Hij was erg bang.

We zeggen nog iets anders. Dit is een man uit de menigte, discipelen, Farizeeën, mensen. Maar dit komt bij één vader en één meisje. God handelt met individuen. Soms met tienduizenden. Maar Hij handelt met elk individu. Met deze twee mensen hier.

Het volgende waar ik uw aandacht voor vraagt: kende Jaïrus de Zaligmaker al? Hij keek wel naar Hem. Hij moet van Hem gehoord hebben. Hij was de overste van de synagoge (wij zouden zeggen: a church secretary). Hij organiseerde de synagoge, zeg maar.

De Heere ging niet alleen in Kapernaum naar de synagoge, ook in Nazareth. Hij las daar de schriften. Dat moet een geweldige ervaring zijn geweest. Het woord gaat over Hem. En dan leest Hij het!

Jaïrus moet zeker over onze Heere Jezus Christus hebben gehoord. Christus kwam vaak in de synagoge. Als deze man heeft gehoord over Christus, gaat hij naar hem toe. Was hij al een gelovige? Hij zocht Christus om zijn dochter te genezen.

Wij moeten ook tot Christus gaan, in onzekere tijden. We moeten de finale stap zetten om naar Hem te gaan. Zeker als we Christus kennen. We moeten tot Hem roepen.

Jaïrus kende Hem. Dat geldt ook voor velen in de kerk. Soms komen er moeilijkheden in het leven – er komen altijd moeilijkheden in dit leven. En dat brengt mensen over de lijn. Dan gaan ze naar Christus. Ja, dan komen ze. Dat gold misschien ook zo voor Jaïrus. Dat kan voor het eerst maar moet ook telkens opnieuw gebeuren in het leven als een christen. We komen in moeilijkheden, we bidden, de zorgen nemen toe, de aanvechtingen zijn hevig. We moeten eerlijk bidden, oprecht.

Hoe wanhopig was Jaïrus om de Heere Jezus te zien. Jezus komt terug, maar waar gaat Hij naar toe? Vers 10. In het huis zijn allerlei mensen bijeen: discipelen van Johannes, de discipelen van Jezus, Farizeeën. Jaïrus gaat daar naar binnen. Het maakt hem niet uit wie daar zijn en wat daar gebeurd. O, Heere, kom en leg Uw handen op mijn dochter.

Hij was serieus in zorgen. Het ging hem om zijn dochter. Hij wilde dat Jezus Zijn handen op zijn dochter legde. Heel vaak spreekt de Schrift over de handen van God. God heeft geen handen natuurlijk, maar het is de manier van spreken. In Uw handen is eer, glorie, majesteit, kracht. Als U Uw handen opent, verzadigt U alles wat leeft. En denk aan de handen, uitgestrekt aan het kruis. Hij bewerkt verzoening. Ik heb u gegraveerd in Mijn handpalmen. Gods handen spreken over Gods gedachten. Als we denken aan de troon van de genade, denk dan dat onze naam geschreven is in Zijn handen!

Christus moet onmiddellijk komen. Denk dat eens in! Ondanks die discussies die daar gaande waren. Nu meekomen! De profeten van de Baäl werden door Elia aangemoedigd harder te roepen. Maar: geen reactie. Maar Christus komt onmiddellijk. Roep tot Mij en Ik zal u antwoorden.

Er zijn momenten waarop Christus niet direct komt. Hij komt altijd. Hij werpt niemand uit. Hij antwoordt altijd degenen die tot Hem roepen. Het mag misschien moeilijk om te geloven zijn.

Hij hoort Jaïrus’ roep. Op de weg komt hij de bloedvloeiende vrouw tegen, daar ga ik nu niet op in. Onderweg komen ook dienstknechten van Jaïrus op hen toe en zeggen: vermoei de Heere niet langer, het meisje is gestorven.

Maar de Heere van leven en dood is er niet van onder de indruk. Hij weet wat er gebeurd. Alle issues van leven en dood zijn in Zijn hand. Hij gaat naar het huis. Maar dan komt dus nog die vrouw met bloedvloeiingen. Je kunt je de frustratie van Jaïrus voorstellen. Waarom komt zij nu? Waarom nú? Onze Heere Jezus weet het; alles is in Zijn hand. Hij handelt met de vrouw. Ik behandel de geschiedenissen van interruptie niet.

Er zijn twee mensen, ze schrijven een speech. De eerste man besteedt er veel tijd aan. En hij geeft een speech. Een goede speech. Hij zegt: ik heb alles gezegd wat ik wilde zeggen. Maar de andere man bereidt zich voor. Hij is eerlijk, goede voorbereiding. Hij geeft zijn speech. Maar tijdens het geven van de speech ziet hij iemand met een zwart gezicht. Hij denkt: zij begrijpen niet waar ik het over heb. Hij past zijn woorden aan zodat zij hem zullen begrijpen. Hij zegt alles wat hij wilde zeggen en gaat door met zijn speech.

Wie houdt er van interrupties? Niemand toch. Het hangt er wel van af wat je doet. In een long run is het niet fijn. Maar als je kijkt naar de redding van God. Hij kan ons redden. Alles moet meewerken aan het goede.

De Heere komt bij het huis van Jaïrus. Wat treft hij daar aan? Daar waren professionele rouwers. Zij maken hun geluid, verdriet. Iedereen accepteerde dat. Een commentator zegt: het waren mensen uit de lokale community. Ik weet niet wie en wat het waren, daar gaat het ook niet om. De pijpers en fluitspelers; ze maken geluid.

Wat doet onze Heere? Hij wil oprechtheid. Geen act opvoeren. Gods werk is oprecht. Je ziet vandaag kerken en kapellen waar acts worden opgevoerd; ook bij begrafenissen. De Heere werpt deze mensen uit. De dood is een serieuze aangelegenheid. Maar het is ook een vijand. Het is het gevolg van de zonde. Hij gaat de strijd ermee aan. Christus werpt de mensen uit.

Hij zegt dan: het meisje is niet dood, maar slaapt. Ze lachen Hem uit. Ze nemen Hem niet serieus. Dat gebeurt vaker als je over de dingen van God praat. Dan lachen ze je uit. Ze ridiculiseren het. Het ridiculiseren van dingen die we niet begrijpen is niet verstandig. Sommige dingen zijn inderdaad verwerpelijk. Maar andere dingen niet. Soms praten mensen over de Bijbel en je vraagt je af of ze de Bijbel wel eens hebben gelezen.

De Heere gaat verder. Hij spreekt tot het kind. Hij zegt dit: Talitha Kuma. Klein meisje, sta op. Hij pakt haar bij de hand. Zo aardig is Jezus. Hij neemt haar op. Zo staat zij op. En op een andere plaats staat: haar geest keerde in haar terug. Haar geest keerde terug. Waar was haar geest onderwijl? We hebben dus niet alleen een lichaam, maar ook een geest. De geest leeft voort na onze dood – dat is een ingewikkeld onderwerp, waar die geest van haar was. Er zijn dus twee: lichaam en ziel. Het is belangrijk omdat vandaag mensen de ziel vergeten.

De geest keert in haar terug. En dan zegt de Heere: geef haar iets te eten. Praktische details, daar denkt Jezus aan. Christelijk leven denkt daar ook aan.

Ik kom tot een afronding. Je kunt zeggen: Jezus laat drie mensen opstaan, maar wat heb ik daar aan? Hij droeg onze zonden en pijnen. Maar wat heeft het nu te betekenen? Het antwoord daarop is dit. Ik ben de opstanding en het leven, zegt de Heere. Deze voorbeelden laten dat zien. Hij is inderdaad de opstanding. Hij stond op uit de dood, op de derde dag. Hij heeft de dood verslagen. Hij zal leven. Hij geeft de gelovige laten leven. Wie in Hem gelooft, zal nooit meer sterven. Die belofte is voor u.

Er zit een aanmoediging voor christenen. Er zijn uitdagingen in het leven. Kom tot Christus. Roep tot Christus, Hij is je redder. Ook nu.

Cardiff Tabernacle, 11 juni 2023, 10.30 AM. Schriftlezing Mattheus 9:18-26. Via YouTube.